‘Ooit had ik een baas. Een baas, het idee alleen al, denk ik nu, veertig jaar verder. Maar goed, ik had een baas, althans, iemand die zich als zodanig presenteerde, en okee, hij betaalde mijn salaris – niet veel, natúúrlijk niet! Dat doe je niet als je baas bent over een negentienjarige – maar, en daar wil ik naartoe; ik weet nog goed hoe hij ontplofte, mijn baas – toen ik na een jaar alles voor hem doen, voor die baas, begon over vakantiegeld – dat ik daar toch recht op had, op vakantiegeld?!?
Hij keek me aan, mijn baas en ontplofte zowat.
“Vakantiegeld??? Waarom zou ik moeten betalen voor joúw vakantie???”
Dat was de laatste dag dat ik werkte voor mijn baas.’